In dit verslag is Vivencia Travel al snel ‘tante Viv’, wat een koosnaampje blijkt.
Bij dit verslag een korte fotoselectie ‘Vier maal Vivenciagevoel’.

Elementen van het Andalusische landschap zijn al zichtbaar uit het landende vliegtuig. Een turkoois stuwmeer, opmerkelijk vol, vinden wij, maar het blijkt tot vorige week uitzonderlijk vaak hard geregend te hebben. De zomer is afgelopen weekend pas begonnen, zeggen ze hier. Witte dorpen in ruige bergen. Witte slingerwegen. Olijven-, amandel- en sinaasappelboomgaarden. Droogte.

De vlucht met Vueling verloopt probleemloos, al hebben we een half uur vertraging doordat het vliegtuig in de wachtrij moest. Opvallend dat diverse Vuelingtoestellen te laat binnenkomen. Air France en KLM krijgen vast voorrang. Prettig dat het vliegtuig lang niet vol is. Drie stoelen voor onszelf, wat in de meestal veel te krap ingeplande vliegtuigen een luxe is. Maar ja, ook de vliegmaatschappijen hebben het zwaar.

De autoverhuur van Avis is uitstekend geregeld. We hebben dan ook code 16, wat superdekking betekent, dus je wordt als vip behandeld. Fijne, stille, behoorlijk nieuwe Seat Ibiza, perfect voor twee personen. Beetje te licht motortje voor sommige bergweggetjes, zullen we ervaren. Rokende banden. Als ik zo de gedeukte auto’s en de straatjes hier bekijk, dan is maximale dekking geen luxe. Toch rijdt het ontspannen in Spanje.

Onze TomTom kiest de route via de binnenlanden, niet de door Viv aanbevolen route langs ‘de weelderige kust’. Wij vermijden zelf liever de Costa del Sol met z’n betonvloed en roofbouw, dus we volgen het ding, ook wel met tante Stien aangesproken. Dat schenkt ons een mooie, rustige weg door de bergen. Olijfgaarden en amandelboomgaarden (19.994 vierkante kilometers zijn bedekt met olijfboomgaarden, dat is bijna de helft van de oppervlakte van Nederland.) Stadjes op bergtoppen. Na een kleine anderhalf uur komen we rond 19.30 uur Ronda binnen.

Ronda is een perfecte startplaats. Wat een juweel van een stadje. Je kijkt je ogen uit. Hotel San Gabriël is topklasse, makkelijk te vinden, handige parkeerregeling (vlakbij, op een morsige parkeerplaats met een vijfsterrenuitzicht), en ook nog de mooiste kamer via de upgrade die we wel wilden en die ik iedereen zou aanraden. Muchas gracias, tante Viv! De bruidssuite voldoet aan alles dat zo’n naam aankondigt. Geen grote bossen rode rozen misschien, maar verder alles perfect. Bijna 100 vierkante meter voorname luxe, een hoge overdekte patio als vestibule, een zitkamer met bibliotheek en open haard, een badzaal met een jacuzzi, megabed in een opkamer, overdag en ’s nachts koel. We lopen er joelend in rond. Doe niet teveel badschuim in een jacuzzi. Het ontbijt is ook uitstekend, je kunt bestellen wat je wilt en de keuze is overvloedig. Dit hotel zou zomaar weer onze eerste keus kunnen zijn, als we eens naar Ronda terugkeren, en dat is waarschijnlijk. ‘Deze stad leeft van toerisme’, zegt de receptionist, en daar doen we alles voor. Het is hier veilig en schoon en de ligging en de stedenbouw doen de rest’. Waarvan akte!

Wij dineren eerst bij Restaurante Santa Pola en de volgende dag bij de door tante Viv aanbevolen Taberna Santa Domingo. Wij zouden Santa Pola aanbevelen. Iets duurder, maar de huidige kok is ook veel beter dan die van de taveerne. Het is verfijnd tegenover veel. Desgevraagd maak ik een leugentje om bestwil tegen de aardige, bleke jongen die kookt in de taveerne. Bij Santa Pola kan je overdag op het terras dineren, dat boven de fabuleuze kloof hangt, maar ’s avonds alleen binnen, wat geen straf is overigens. Probeer de rabo de toro (stierenstaart) op z’n Ronda’s. Smelt van het bot. Neem er tot slot Moscatel de Naranja.

Ook aan te bevelen en eigenlijk onze favoriet: Bar restaurante Il Campillo, ook vlakbij Hotel San Gabriël, maar dan de andere kant op, naast de stedelijke muziekschool, aan de Plaza Maria Auxilaria, een aangenaam parkje met panoramisch uitzicht over het idyllische dal en de Sierras ten Westen van Ronda. Daar begint ook het steile pad, eerst trap, naar een subliem uitzicht op de Puente Nuevo, de beroemde kloofvullende brug. Als je durft kan je zelfs tot aan de rivier afdalen. En dan weer even steil terug omhoog natuurlijk. We zaten uren op dit pleintje, terwijl de laatste kinderen werden opgehaald, de zon onderging en Saturnus en de sterren zichtbaar werden. En Moscatel de N. hebben deze vriendelijke mensen ook.

We dwaalden bijna 12 uren door dit stadje en verveelden ons geen moment. De stierenvechterarena is een boeiend museum. Beide bruggen zijn schitterend, de oude door de ouderdom en de ligging onder in de kloof en de andere door de ligging boven in de kloof en de overdonderende afmetingen. Schijnt een populair aannemersdoel te zijn en ze vinden allemaal dat deze brug eigenlijk niet gebouwd had kunnen worden. Dan is er in Ronda altijd dat uitzicht over vallei en bergen, van Toscaanse allure.

Onze topper: de watermijn van de morenkoning. Je klautert uit een droomtuin over trappen met ongelijke treden door het halfduistere natte binnenste van de rotsen af naar de bodem van de kloof, waar een stil stuwmeertje tussen de bollende wanden ligt. Onderweg allerlei zalen met geheimen. Pure schoonheid. Later, aan de overkant van de kloof, moesten we tien minuten zoeken voor we één van de vensters van het trappenhuis hadden gevonden, zo goed is dit geheime militaire meesterwerk verborgen. Het paleis zelf, boven de watermijn, is gesloten wegens onomkeerbaar verval. Er schijnt een hotel in te komen. Eerst voor een paar miljoen renoveren en hopen dat binnen en buiten gedeelten publiekelijk toegankelijk blijven. Hou het in de gaten, tante Viv!

Een avond en een dag zijn te weinig voor Ronda, maar genoeg voor de verkenning die deze reis bedoelt te zijn.

Sevilla is andere koek! Groot, erg vol, een beetje slonziger, heter, beetje minder veilig, waarschijnlijk. Van dat laatste merken wij trouwens niets. Er zijn wat bedelaars en slimmeriken die geld verdienen met aanwijzen van parkeerplaatsen die je zelf ook wel ziet, maar verder helemaal niets gezien dat argwaan wekte. Af en toe moet je, je handen in je zak stoppen en grimmig doorlopen als dames van Roma-afkomst je een takje rozemarijn willen opdringen. Als je het uit beleefdheid vastpakt ben je de sigaar. Bij elk begin van contact ben je al verkocht. ‘Sie moessen betsalen’ hoorden we een verbijsterde Duitser toegesnauwd worden. Dat was trouwens in Granada. De rozemarijnbrigade is overal te vinden waar toeristen zijn. (De gedachte achter dit verdienmodel is mij in eerste instantie niet duidelijk, noch de oorsprong van het idee om mensen geld te vragen voor takjes van een vrij algemeen voorkomend kruid, dat men ook vrijwillig kan aanschaffen. In beginsel is het een agressieve vorm van bedelen – er zijn gewoon hinderlagen waar je op pelotons dames stuit – en een uitgeklede vorm van het handlezen en ongevraagd toekomst voorspellen. Het lijkt wel sympathieker dan het vervuild rondzeulen met half bewusteloze baby’s en bijgeloof is in wezen niet veel anders dan geloof. De gedachte ‘ga wat nuttigs doen’ dringt zich echter wel weer op. Maar dat is erg hard tegenover een gediscrimineerd volk. Hoewel iets nuttigs gaan doen veel goodwill zou kunnen opleveren. Ook lijkt mij niet slim om er overvoed en welvarend uit te zien, als je wilt bedelen. Dan is uitgemergeld en vies met de baby zeulen weer veel slimmer. Maar erg empathisch ben ik hier niet, dat besef ik wel. Het is ook zo gênant.)

Het is leuk om naar een hotel in het centrum van een stad te rijden, als je de hier kenmerkende combinatie van traagheid en machismo overneemt in je rijgedrag. Gewoon gezellig meetoeteren, ook leuk. We raden iedereen een GPS aan, zoals men dat hier noemt, en actualiseer de kaarten dan ook grondig. Vergeef tante Stien of de Lispeltuut als ze het in een stratendoolhof even niet meer weet. Dat doe je zelf ook niet. Het hotel Casa del Maestro staat niet in de onze, overigens. Niet vreemd, want het hotel ligt aan een smalle, autovrije dwarsstraat. Maar we rijden toch vrijwel rechtstreeks naar de parkeergarage. Goed gekozen, dit hotel, tante Viv. En voor de 65 plusser is een kamer op de hoogste (3e) etage zonder lift ook heel gezond. Vooral als het schattige baliemeisje de koffers draagt. Schone kamer, airco werkt, goed bed en o verrassing, een verder door niemand gebruikt dakterras met uitzicht over de Ciudad. Na tienen ’s avonds is dat een bijzondere luxe, overdag kan je er een eitje bakken op de stenen tafeltjes. Het personeel van La Casa del Maestro krijgt van ons een 10 met een griffel. (Eerst was Hotel Amadeus aangegeven als mogelijkheid, maar wij zouden dat, ondanks een centralere ligging en ongetwijfeld ook uitstekende kwaliteit, niet aanbevelen als je met de auto komt. Voor C. El M. kan je gemakkelijker parkeren in nabije parkeergarages – eerst auto neerzetten, dan naar hotel lopen -, geen gedoe in smalle straatjes of voetgangersgebieden, wel weer kostbaar, 20 euro per dag.)

Het is direct al 40 graden rond tweeën, dus dan moet je langzaam en niet teveel lopen, veel drinken en schaduw opzoeken. Schaduw en drinken zijn geen probleem in een stad met smalle steegjes, mooie parken en honderden verkooppunten van voedsel en drinken. Toch valt het ons na Ronda effe zwaar op het lijf. Ik probeer de wandeling dus vooral door de talloze parken te laten lopen, en aan de overkant langs de rivier, met uitzicht op de stad. Beetje rommelig en vervallen daar in Triana, maar er is schaduw genoeg.

Curieus en grappig is de Plaza d’Espagna (wij verschillen van mening over de schoonheid – ik vind het holle kitsch en nogal overdadig nationalistisch, maar toegegeven, er is fleurig tegelwerk, de Venetiaanse bruggen over gedoe in roeibootjes zijn mooi en het is een wijds plein in een fraai park. Er staat trouwens een ongelofelijke maquette van dit paleis bij de VVV van het verder onbeduidende plaatsje El Coronil, waar we onderweg naar Sevilla koffiedronken.)

De tweede dag zijn we minder gulzig. We maken minder loopkilometers, laten ons door een aardige jongen uit Sierra Leone verleiden tot een boottocht (beter dat dan een zonnebril) en houden siësta in de tuinen van het Alc á zar. De dag begint met een smakelijk ontbijt met hoogstpersoonlijke bediening door leuke mensen en dan slenteren we de hete stegen in. Het wordt hoofdzakelijk hét monument: het Reales Alc á zares. Daar ontdek je dan weer dat de eerste christelijke koning een paleis in Moslimstijl liet bouwen door moslimvaklieden, waaronder de meester-timmerman van het Alhambra van Granada. En dat iemand die Peter de Wrede werd genoemd juist als ‘de Rechtvaardige’ bekend stond bij het volk. Dat het de Moslims waren die vreedzaam samenleefden met de Joden en dat de Christenen met pogroms begonnen. Dat Philips II cultuur stimuleerde en hier (en in Portugal) wordt vereerd, terwijl wij zijn Generaal Alva het land uit wilden jagen. En we zijn ook blij dat in Spanje geen Beeldenstorm heeft plaatsgevonden. Kortom: je gaat je eigen geschiedenis ook weer eens in perspectief zien. En beter begrijpen. We wisten van de periode 711-1492 eenvoudig gezegd geen bal. Ze zouden Wilders en overeenkomstig denkenden eens een jaartje op cursus moeten sturen in Andalusië. Maar waarschijnlijk zouden die alleen onthouden dat hier een immigrantenprobleem is en dat radicale islamieten Al Andalus weer bij het grote islamitische rijk willen voegen.

Prachtpaleis overigens, geschikt voor een hele dag, met lommerrijke tuinen. Mengelmoes van stijlen die toch harmonieus blijft. Fijn cafetaria in de tuin. Dit paleis is een curieuze erfenis van de voorlopers van de christelijke stichters van Spanje, Ferdinand en Isabel, en hun Habsburgse nakomeling Karel V. Voordeel van verlichte despoten: ze laten nog eens iets moois na, zoals een schitterend plafond in de zaal waar ze de eerste huwelijksnacht doorbrachten. Ik zal hier niet verder over doormijmeren. Misschien alleen dat zulke daden kunsten en ambachten stimuleerden. Zou W.A. eens over na moeten denken als hij weer een villa koopt.

We rusten uit tijdens de nogal warme rondvaart van een uur over de rivier. De wereldtentoonstelling van 1992 heeft de stad veel goed gedaan. Wegen, bruggen, parken, een metro, expositiehallen en een hernieuwd bewustzijn van de schoonheid en kracht van de stad.

Aanbevolen ijsje: de Pirolo lemón.

Onze favoriete plek voor tapas en mensen kijken: Bar Restaurante Carmela de la Santa Maria Blanca. De buren hebben verstuivers, maar die zijn wat ons betreft sterk overrated. Fraaie gevel van een hotel aan de overzijde. Grappig gedoe met auto’s, stromen interessante passanten. Goede sangría. Goede tapas. Onze favoriete obers werken er, maar dat kan volgend jaar anders zijn. Het zijn studenten. Als ik vraag of er vaker een stoet Audi’s met politiebegeleiding voorbijkomt, zegt hij: “No, this is someone who thinks he is ‘important’, I think.” (gebaar met de vingers die aanhalingstekens maken in de lucht.)

Er zijn vast veel geweldige flamencoadressen in Sevilla. Wij kwamen bij toeval terecht in het Joods Cultureel Centrum in de wirwar van de Barrio Sta Cruz, waar jonge artiesten een ernstige, bruisende en historisch onderlegde uitvoering van zang, dans en gitaarspel ten beste gaven. Niks commercieels. Hartveroverend.

Het personeel van het hotel krijgt eveneens een 10+.

Het advies van tante Viv om op weg naar Córdoba het plaatsje Carmona aan te doen, is heel goed. Parkeren kan bij de stoere Moorse toegangspoort, rechts langs de weg, maar als je naar de Parador rijdt door het stadje, vind je een publieke parkeerplaats aangegeven. Mooie uitzichten over de zinderende vlakte en de vele kerken van Carmona. Wij liepen de ruta turistica, maar er rijdt ook een gratis electrisch busje dat een rondgang van een half uur maakt. Zorg dat je op een tijd arriveert dat de winkels en andere publieke gelegenheden open zijn. Tenzij je graag een kanon afschiet. Direct bij de poort word je door de meest enthousiaste, energieke waard van Spanje (broer van de chauffeur van het busje) graag bediend.

Er kwam ook nog een demonstratieoptocht tegen de banken en het kapitalisme langs, dat wil zeggen dat we de mensen net zagen verdwijnen om de bocht van de hoofdstraat, om nooit meer terug te keren. Voorgoed verdwenen in de kerkers van het Parador-vroeger een burcht- of in een stofwolk opgelost in de eindeloze vlakte?

In Córdoba liggen veel hotels achter een onhandig geplaatste beweegbare paal bij de Mezquita. Noem na het manoeuvreren op hulpeloze toon je hotel en je wordt toegelaten en kunt kort stoppen voor het hotel. Het parkeren is goed geregeld, in een parkeergarage vlakbij, met korting. Posada de la Vallina is een degelijke gelegenheid met inpandig gourmetcafé (voor mensen die net zo dik willen worden als de gemiddelde Spanjaard uit de provincie.) Alweer een goede keus van tante Viv. Pal naast de Mezquita, beter kan je het niet treffen. Het is iets minder handig om op zondag aan te komen. Er zijn heel veel dagjesmensen, de stad is wat vieziger, en op zondagavond gaan heel veel restaurants opeens dicht. Overigens kan je dan bijvoorbeeld op de C/Romano terecht bij nr. 10, een Taberna waar bij lekkere tapas zeer goede wijn wordt geschonken, waaronder een verraderlijk toeslaande Pedro Xim é nez. Binnen aangenaam, buiten een gezellig plein bij de Faculteit Filosofie en Letteren, al is het jammer van de stinkende vuilnisbakken die er worden verzameld.

Ander nadeel van zondag aankomen: maandag is vrijwel alles dicht, behalve de Mezquita, zo merken we de volgende dag.

De steegjeswarboel van de J ú deria is leuk, na ongeveer honderd meter houdt het massatoerisme op en kan je door vrijwel verlaten straatjes en over knusse pleintjes naar het weer wel drukke centrale plein lopen. Naast de Mezquita, die alles is wat er over gezegd wordt, en veel meer, zijn er genoeg andere bezienswaardigheden. Musea, muren, poorten, pleinen en paleizen. We moeten de volgende keer wel beter op de sluitingstijden letten.

In dit verband vier tips

  1. Ga juist niet meteen rond openingstijd in de rij staan, maar wacht een beetje tot de rij geslonken is.
  2. Je kunt gratis de Mezquita in van 8 – 10, als er een mis is. Zorg dan dat je geen blote schouders hebt. Het is dan helemaal een kerk. Daarna is het weer alleen een bezienswaardigheid. Ga dus omstreeks die tijd even kijken, niet bij de gebruikelijke ingang, maar eentje verder naar het midden. Weinigen weten dit. Wij werden getipt door een wereldreizende Australische, die mijn vrouw ook nog een sjaal leende, zodat ze er alsnog in kon (dames: neem gewoon altijd een flinke omslagdoek of shawl mee om de blote schouders te bedekken.)
  3. Als je kunt kiezen, ga dan door de week. Dat scheelt veel dagjesmensen.
  4. Er is veel openbaars dicht op maandag.

Dat laatste ervoeren wij bij het zeer aan te bevelen Palacio de Viana, een schitterend stadspaleis met maar liefst 13 historisch interessante patios. Hoewel de vlak daarbij gelegen Plaza de la Corradera om allerlei redenen interessant is (er werden vroeger stierengevechten gehouden, de straat waar de stier door binnenkwam is er nog, er wordt actief reclame gemaakt voor de communistische partij, er is veel vrolijke jeugd met gitaren en honden, het heeft leuke gevels, er zijn spotgoedkope cafés – met matige maar gulle tapas – en een restaurant dat heel erg zijn best doet om er meer van te maken) vonden wij het er nogal slonzig. De grootsteedse Plaza de las Tendillas is mooier en heeft fijnere terrassen en restaurants, leerden we de volgende dag.

Wie de hitte aandurft kan de brug overlopen bij de triomfboog, het zeer leerzame museum in de Moorse toren bezoeken (schitterende maquettes van Mezquita en het Nasridenpaleis van het Alhambra) met gloeiend heet panoramadakterras, en de promenade langs de rivier naar de volgende brug lopen. Onder de bomen is wat schaduw, vogelgezang en watergekabbel. In de verte glinstert de romp van een complete DC 7, een van de smaakmakers voor de poging om culturele hoofdstad 2016 te worden.

Het landschap tussen Córdoba en Granada, bedekt met een tapijt van olijfboomgaarden, glooit en plooit langzaam naar woester bergen. De zogenaamde Ruta del Califato voert langs interessante, gezellige, soms monumentale witte stadjes op bergtoppen of neergevleid op de hellingen. Baena, Zuheros, Cabra, Priego, Alcala le Real, ze kennen ongetwijfeld allemaal hun verrassingen. Wij kozen voor Cabra. Als je binnenkomt zie je rechtsboven een kasteel, daarachter de slanke toren van een kerk (voormalige minaret, uiteraard). Je kunt daar meteen rechts van de weg parkeren. Onder die gebouwen ligt de Plaza Vieja, mooie uitvalsbasis voor een kleine expeditie Cabra. Aan het beschaduwde plein links ligt een café waar vrolijke mannen goede koffie en tostada al jambon serveren, en verse sinaasappelsap. Het zit vol met dominospelende gepensioneerden, onder toeziend oog van een vriendelijke Jezus, en blijkt bij nadere beschouwing een soort buurthuisfunctie te vervullen. De belendende slager is zo drukbezocht dat hij vast uitstekende hammen heeft. Afhankelijk van het tijdstip kan je de mooie barokkerk bezoeken op de heuvel aan de overzijde, daarachter het Moorse wijkje met smalle straatjes en middeleeuws kerkje bezichtigen (niet altijd open, wij werden door zingende werklieden binnengelaten). Je kunt genieten van een mooi uitzicht vanaf de hoge muur, naar de ingangspoort en gevel van het Moorse paleis staren (nu een school) of aan de overkant achter het café de stad inlopen, die dan verbazend mooie patriciërshuizen toont, en nog meer leuks verbergt, zoals een grote plaza de toros.

Die laatste zagen wij pas toen we enkele kilometers verderop het spaghettiweggetje naar de Ermita de la Virgen de la Sierra waren opgekropen. Het was helaas heiig, het uitzicht moet daar bij helder weer nog adembenemender zijn. Maar in de verte lagen Cabra en haar arena wit te stralen. In de kerk is een curieuze zwartgeblakerde lijkepitjeskamer met een afzuigkap van een flinke hotelkeuken te zien. Er zijn af en toe pelgrimsoptochten naar de grot van de kluizenares. Dan zijn ze er allemaal: de kerkelijke en burgerlijke hoogwaardigheidsbekleders, de twee soorten politie, de ambulance en de brandweer. Er zijn althans parkeerplaatsen voor gereserveerd. Ook leuk: als spar verklede antennemast. Mooie picknickplaatsen. Pas op voor de schapen onderweg. Ze zagen er niet eetbaar uit, dus ze zijn niet geschikt voor de barbecue op de berg.

Na Alcal á la Real (spectaculaire kerk en burcht op een hoge rots, weer met machtig uitzicht) slingert de weg richting Granada. Ongeveer ter hoogte van een volgende burcht op een hoge rotsbult (bij Ilora) verschijnt de Sierra Nevada onverwacht, hoog in de verte. Je verwachtte het en toch treft het je aangenaam.

Ook in Granada is het niet moeilijk om je prettig te voelen. Staat bij ons al snel met stip op nummer 1. De route naar het hotel is wel even een probleem. We vertrouwen eerst op tante Stien, maar die helpt ons niet erg. Teveel wirwar en eenrichtingsverkeer. Via een onbegrijpelijke slingerbeweging door smalle straten rijden we wel een keer langs het hotel ( Google streetview helpt enorm bij het vooraf verkennen) maar pas als we toevallig een straat van het door tante Viv verstrekte kaartje inrijden gaat het in één keer gemakkelijk. Goed kaartje dus! Er is plek in de parkeergarage ( ik hou erg van uitdagende parkeerplekken, dat scheelt) en het hotel is vlakbij en opnieuw een voortreffelijke keus van tante Viv. Uitstekend personeel, ideale ligging, ruime, schone kamer, wifi in de patio, bruisende douche, heel goed ontbijt. pQliar hotels bieden blijkbaar wat ze zeggen te bieden. Enige kleine nadeel: de kamer heeft een cardsleutel die ook meteen het licht bedient. Ecologisch gezien heel goed. Ben je de kamer uit, dan gaat de stroom uit en de airco ook. Maar je kunt tijdens je afwezigheid geen apparaten opladen en je komt altijd terug in een te warme kamer – en moet slapen met de airco aan om bij te koelen. Waarschijnlijk kan dat opladen wel via de receptie, maar handig is het niet.

Het Alhambra! Lang hebben we daar over gedroomd, en daar ligt het dan op de heuvel. Een paar tips die we van de receptie en in de Alhambraboekwinkel kregen, en daarna zelf moesten ervaren. Wil je gemakkelijk het Alhambra in komen met die 7000 anderen per dag, doe dan dit:

  1. Reserveer je tickets ruim van te voren via internet. Kies voor 8.30-14.00, het is dan eerst nog redelijk koel.
  2. Ga, zodra je kunt, in Granada naar de Alhambraboekwinkel (hotelreceptie weet waar die is) en valideer je tickets.
  3. Ben je 65+, neem dan bus 30 (stopt vlakbij de boekwinkel) en ga naar het ticketoffice van het Alhambra op de berg, voor   19.00 uur.
  4. Neem je paspoort mee! je krijgt dan alsnog de tickets voor gereduceerd tarief en kunt nu zelf kiezen via welke ingang je de volgende morgen de burcht betreedt.
  5. Zorg dat je uiterlijk 8.15 uur bij de ingang van het Nasridenpaleis bent, begin daarmee. Wachtrij te verwaarlozen, verder alle   tijd. Volg steeds de borden die vervolg van de route aangeven. Je komt dan vanzelf overal langs. In elk geval doen:     Nasridenpaleis, Generalife, en dan terug via het restaurant van de Parador, waar je goed kunt lunchen op een fijn terras.   Daarna eventueel de Alcazaba, waar je vooral alle torens moet beklimmen. Geweldige uitzichten. Deze 3 paleizen mag je     maar één keer doorlopen. In het Parador, het paleis van Karel V en de tuin daaromheen mag je verder blijven zolang je wilt. Wij waren om 13.30 totaal verzadigd en zijn teruggelopen naar het hotel (20 minuten) voor een siësta.

Waarom vinden wij Granada de fijnste stad van de vier die we bezochten? Niet eens zozeer door het Alhambra, dat is ook wel buitencategorie. En laten we direct eerlijk vaststellen, dat we altijd alleen in de oude binnensteden komen. Als we de buitenwijken waar je doorheen moet erbij nemen, dan wint de kleinste stad het juist, namelijk Ronda.

Maar Cordoba zonder Mezquita is niet een stad waar ik beslist naar terug zou willen en Sevilla is wel een heel erg grote mierenhoop van toeristen vermengd met onherroepelijk veel stedelijke ellende. Dat gaat op Amsterdam lijken. Granada kent die mierenhoop en ellende ook, maar dat lijkt geen vat te krijgen op het leven in de binnenstad. De Bib-Rambla is een huiskamer voor families, en daar beweegt zich schooljeugd en universitaire jeugd doorheen. De toeristen lijken daartussen te verbleken, al worden ze met open armen ontvangen als ze zich manifesteren.

Ik probeer maar. Het doet er ook weinig toe. We dwalen blij en verrast door de stegen, raken verzeild op het plein in de reuzenschaduw van de kathedraal, een onbevattelijke berg steen, beklemd tussen de huizen, waar de jeugd zich verzamelt op de trappen, twee gitaristen jazzy Spaanse oernummers spelen en twee lange mensen elegant en vrolijk de paso doble dansen. De Navasstraat waarin het hotel zich verschuilt (we lopen er telkens voorbij) is een dampend streekterras, zoals er in de Veenkolonieën streekdorpen zijn. Even verderop zitten jonge mensen in een grote kring op een plein bij een bestuursgebouw en praten uren en uren ernstig over de crisis die hen wel in het bijzonder heeft getroffen. De winkels in de bredere straten lijken wel het grootste deel van de dag gesloten (wat gezellige straten kan veranderen in ongure graffitigoten, omdat de rolluiken dichtgaan) maar als ze open zijn springt het hart van de shopper open. Dan opent een levendige smalle straat zich zomaar op een plein vol gezinnen in een kring van terrassen onder baldakijnen. Op de al genoemde Bib-Rambla kunnen wij wel de hele avond verblijven, kijkend naar het mensengedoe, bij tapas en wijn. Het is een van de bijzondere kenmerken van samenlevingen die op straat kunnen leven, omdat het bijna altijd mooi weer is. In Spanje zie je nog de uitgebreide familie in het volle leven staan, soms vier generaties bij elkaar. De grootouders passen op de kinderen tot mama en papa uit het werk komen. Hier zie je zeer oude mensen aan de arm van hun kleinkinderen over straat schuifelen. Hier dollen de kleuters met papa en mama op het plein. Hier wordt de pasgeboren baby aan vrienden getoond. En iedereen voetbalt, de meisjes ook.

De logica van terrasbezoek:

  1. Waar schaduw is of luwte gaan mensen eerder zitten.
  2. Waar al mensen zitten gaan andere mensen eerder zitten. Mensen vinden een leeg terras ongezellig, maar ze denken ook dat het daar minder goed eten of drinken is.
  3. Mensen willen altijd eerst even verder kijken. Het eerste terras van een rij blijft daardoor langer leeg.
  4. Mensen gaan meestal aan nog niet afgeruimde tafels zitten. Die waren niet voor niets bezet.
  5. Mensen vermijden liever niet-opgeruimde terrassen.
  6. In een smal straatje zitten mensen liever tegen de muur dan waar steeds mensen langslopen.
  7. Mensen zitten liever op een plek met uitzicht op leuke dingen. Een groot terras stroomt vanaf de rand naar het midden vol en als het kan zitten mensen met hun gezicht naar het beweeg of het uitzicht.
  8. Vrouwen zijn minder snel tevreden met een plekje. Mannen vinden het allang goed dat ze eindelijk zitten.
  9. Tafeltjes aan de bedieningsroutes blijven langer leeg.
  10. De wet van de loketrij geldt ook voor terrassen: je kiest altijd de verkeerde ‘wijk’.

Je kunt ook altijd de stadswandelingen maken die in de Michelingids zijn uitgezet (en in tal van andere goede gidsen, zo te zien). In Granada zijn wandeling 4 en 5 een onverslaanbare combinatie. Je kunt natuurlijk met bus 31 of de taxi naar een van de leukste en mooiste uitzichtpunten van de wereld gaan, maar te voet kan je af en toe een binnenplaats of een kerk binnenstappen, op een bankje neerploffen of dat ene winkeltje, waar heerlijke flamencojazz uit golft, bezoeken. Tante Viv waarschuwt dat de meeste roofovervallen in de Albaycin plaatsvinden, wat wij ons kunnen indenken in dit steegjesdoolhof, maar we gaan toch tijdens de siësta omlaag en ’s avonds omhoog en omlaag en komen geen ongure types tegen. Wij genieten beneden van het middeleeuwse straatje langs het riviertje de Darro, van koffie op een terras aan de Paseo de los Tristes, van de klim naar de San Nicolas waar het Alhambra zich voor je uitstrekt op vrijwel gelijke hoogte, met op de achtergrond de Sneeuwbergen. En steeds dat alledaagse leven. Een student die een verhandeling leest over Lagrange, drie jongens die gitaar oefenen op een bankje in de schaduw, gelukkig niet tegelijk, een groep vrolijke alternatievelingen bij een café, die een gezelschap in pak gehulde hoogwaardigheidsbekleders in een elektrobusje joelend gadeslaan, schoolkinderen die thuiskomen en het al beschreven gezinsleven op straat. En werkelijk overal mensen die de straat vegen, ramen wassen of vuil opruimen. In het dal van de Darro is zelfs een klein leger gele hesjes losgelaten op het zwerfvuil. Misschien vanwege die hoogwaardigheidsbekleders?

‘Kom vanavond terug’, zegt de dienster van Meson Yunque op de Plaza San Miguel Bajo, ‘dan is het hier nog veel leuker’. We hebben er dan meer dan een uur gezeten, met een door haar aanbevolen salade voor één persoon en met de sangría waarover de baas, Antonio El Yunque, eigenhandig op een bord heeft geschreven: ‘SI TE GUSTO LA SANGRIA EL YUNQE TE GARANTIZA ES LA AUTENTICA CASERA DEL ABUELO TE LO GARANZA ANTONIO EL YUNQUE SI NO TE AGRADA NO PAGES NADA PERO RERETIRA A BEBERLA OTRO BASO.

Antonio, kalende zestiger met sterk gezicht, flamencozanger, heeft gelijk. Opa wist hoe je lekkere sangría maakt. En zij heeft gelijk, het is ’s avonds reuze gezellig op de berg. Het mirador krioelt van de mensen die willen meemaken (lees fotograferen) hoe het Alhambra roze kleurt, en dan de bergen, en hoe de lichten aangaan en de omgeving vervaagt terwijl die verzameling barse torens en muren verandert in een gloeiend juweel. Nu ook van de buitenkant. Uit het wederzijds fotograferen komen dan nog grappige gesprekken voort. Een weldenkende Vlaming, geen aanhanger van de Winter, die toch hartgrondig in het Engels verklaart dat hij geen Frans wil spreken. Kennelijk ook geen Vlaams? Met ‘de politiek’ in zijn land heeft hij het helemaal gehad. Een familie uit Madrid, die in drie talen met ons in gesprek wil. Zoon en dochter in het Engels, papa in het Frans en mama in het Spaans wat wij alleen met handen en voeten spreken. Boeiend en hartveroverend. Over Nederland, werkloosheid, landschapsarchitectuur, Europa, de noodzaak om meer talen te leren spreken, het verlangen naar de geboorteplaats, werken in Parijs, het Alhambra en de wortels van het misverstand islamieten-christenen-joden.

Intussen zingt een cowboy met een witte hoed hartverscheurende liedjes over duende. Het refrein is eenvoudig: “ O no, on no, on no-ho-ho-ho-ho, o no etc. ”

Granada was dus ook weer een voltreffer, tante Viv. Nu zijn we wel verzadigd en kijk, alsof tante Viv dat wist, mogen we naar het paradijs. Een kwartiertje ontworstelen aan de stad, over de Avenida de la Constituçion, waar minstens twintig Afrikanen je voor een grijpstuiver het liefst in die ene parkeerplaats willen dwingen, terwijl je toch echt de stad uitgaat, en hopla de bergen in. Prima routebeschrijving, want La Almunia delle Valle ligt aan het eind van een steil smal bochtig bergweggetje in Monachil (spreek uit Monakiel) dat weer alles van het vertrouwen van de bijrijdster vergt. We rijden er regelrecht heen want er staan steeds duidelijke bruinhouten handwijzers. Het alleen handig om te weten dat je dwars door het oude dorp Monachil moet en dan rechts over de Rio Monachil. Daar krijg je dan voor terug wat alle reiswebsites om het hardst roepen: een 10+ in het kwadraat. Honderd procent voltreffer dus. Helaas is het weer nogal omgeslagen, waar de eigenaren zich omstandig voor excuseren. Alsof zij hun best gedaan hebben om het anders te maken. Ik vind het licht op de ruige bergen juist erg mooi. Verschuivende zonnevlekken. Zoeklichten op witte huizen. Opvlammend groen. De vogels zingen er niet minder om. Maar fris is het wel. (De volgende dag horen we dat de Sierra Nevada geheel besneeuwd was en in helder licht lag, wat het uitzicht op het Alhambra in schoonheid verdriedubbelt.)

Nu gaan we een vijfgangendiner naar binnen werken en een beetje snel, want straks begint Bayern-Chelsea. Nee, snel gaat natuurlijk niet. Daarvoor is er met teveel liefde en kunde gekookt. Tostada met vederlichte olijfolie, doperwtensoep, vis in zoutkorst, dat eten we niet dagelijks. En dan die pudding met frambozensaus. Morgen de Spaanse namen vragen. Verrukkelijk.

Robben mist weer eens een penalty.

Wat is het hier stil! En koud, vandaag. Het kan wel gaan sneeuwen! (sic!). Waar komt die kou vandaan? Het weer is in de war, net als de economen. Of zijn het vooral de politici? Of zijn we zelf in de war?

Eindelijk een boek lezen. Omdat het zondag is, wordt er niet gekookt op de Almunia. We moeten dus wel ergens eten vinden. Een rondje door het oude dorp leert dat er vrijwel geen parkeerplek is te vinden, maar ook geen restaurant dat open is. We zullen ons wel vergissen. Er gaat geen bel rinkelen als we jongetjes in witte kleertjes op nieuwe fietsjes zien rondhobbelen. Dan maar naar boven, de berg op. Daar is een camping, en een natuurpark, er is vast wel een café of restaurant te vinden. De bergweg slingert door een imponerend woest landschap. Hij is vaak flink verzakt, er liggen veel stenen op de weg, hier en daar is recent een kleine aardverschuiving geweest. Het eerste deel gaat langs landjes met olijfbomen, bloemen, graan, aardappelen, dan beginnen de rotsen en de weiden. Ondanks het slechte weer is het uitzicht schitterend, over veelkleurige bergen en een eindeloze vlakteonder regenvegen. Dat vlakte is relatief, het is een heuvellandschap, vruchtbaar groen ogend.

Er is inderdaad een bergrestaurant, de zaal met het panorama is bomvol feestvierders: communiefeesten! De andere zaal, met als enige uitzicht een tv-scherm, is ook redelijk bezet. Hier kan je forse porties voor redelijke prijzen bestellen. Wintersporteten. Boven ons hoofd zien de mannen een Spanjaard de Monster Grand Prix winnen. Een man uit de feestzaal komt steeds kijken en wordt door een steeds vinniger vriendin elke keer teruggesleept aan tafel. Ze loopt op stilettohakken van 15 cm. Als dat maar goed afloopt! De jongens gaan op de foto met de communicantjes. Gejoel!

Inmiddels is er een flinke wind opgestoken en heeft de regen de berg bereikt. Morgen nog maar eens even gaan kijken, dan is het weer mooi, zegt onze elegante gastvrouw.

We keren terug in een warme kamer en lezen, lezen en lezen.

Jennifer Egan – Bezoek van de knokploeg

Markus Zusak – De boekendief

María Rosa Menocal – The Ornament of the World

De eerste twee om weer te weten waar we staan, als mens. Niet best.

De derde om te begrijpen hoezeer de komst van de Moslims in 711 n.C. (89 na de dood van Muhammed) de politieke, economische en morele chaos die de vroegchristelijke/half heidense Germaanse stammen in Zuid-Europa hadden achtergelaten vervingen door orde, kunst en wetenschap, en vooral tolerantie. Het soort tolerantie waar Nederland korte tijd bekend om stond in de wereld. Overigens hadden de Abbesiden toen al wel alle Umayyads uitgemoord, op één na, die opnieuw begon in de overzeese uithoek.

In la Almunia del Valle gaat het rustige leven, ver van de hectische steden, gewoon door. Gasten komen en gasten gaan. Wie komt, gelooft zijn ogen, en wat later zijn maag niet. Wie gaat belooft terug te komen. Hier is met veel liefde, uit de grond van het hart, een hotel opgezet dat nog het meeste weg heeft van een mengsel van B&B en Agricultura (in Italië). Dit is intelligente gastvrijheid, begrip voor de kern van het hotel/reiswezen: dat de gast zich thuisvoelt en toch van huis is. Hier is alles dat je wenst al naar gelang je betaalt: een fijne kamer met alles erop en eraan, een eigen terras, maar ook een gemeenschappelijk terras met fabuleus uitzicht; een voortreffelijke kokkin, heerlijk ontbijt, lunchpakket, een voorname gastheer, een drankje bij je stoel bij het zwembad of op het gras of in je kamer; een grote ‘huiskamer’ waar klassieke muziek klinkt en wifi is, die het vaak niet doet, net als je mobieltje; antwoord op al je vragen over Granada en de Sierra Nevada; advies voor de bergwandelingen; mooie wandelmogelijkheden vanuit het hotel, Granada op een kwartier; tijd voor een gesprek; en altijd belangstelling voor je welbevinden.

De Cahorrakloof (een aangename wandeling, zegt don José van de Almunia) is overdonderend. Na drie hangbruggen over toenemende diepte begint het smalle pad langs de rivier tussen hoge rotswanden. Soms moet je kruipen en als je claustrofobisch bent of hoogtevrees hebt, doe het dan niet. Na een loodrechte wand waar klimmers met de touwen spelen ( en een jointje roken, wat mij een nogal overmoedige combi lijkt) kom je bij een tunnel, ontstaan doordat ooit enkele rotsblokken met de omvang van een flinke eengezinswoning de kloof hebben opgevuld, met openlaten van een tunnel met een laag plafond. Wij vinden het daar wel welletjes, maar velen lopen vrolijk verder, dus het moet goed te doen zijn.

Picknick onder een olijfboom op een uitzichtspunt, helemaal voor jezelf. Overvloedig lunchpakket van la Almunia. Terug tussen de landjes en bedoeninkjes waar het hotel uitzicht op heeft. Gesprekken in vier talen en een klein mondje Spaans. Poquito.

Ze hebben wat honden aangezet. We horen de geitenbellen van de kudde die we op de terugweg tegenkwamen. Verder of juist daardoor is het ruisend stil. We moeten verder.

Opeens is het de laatste volle dag van de reis. We nemen afscheid van het team van het hotel en rijden via een mooie weg (die al een groene streep verdient nu die niet op de kaart staat, daarna mag er wel een dubbele groene streep langs) door het heuvelend gebied ten Zuidwesten van Granada naar het laatste van de zes hotels op onze reis. Eerst verdwalen we nog op een enorm leeg industrieterrein, waar de trottoirs, haagjes, mooie beelden en straatlantaarns al voor zijn aangelegd, maar toen kwam de crisis. Een paar half afgebouwde loodsen zijn er de stille getuigen van. Op de achtergrond het schitterende decor van de afgelopen nacht besneeuwde Sierra Nevada (ik zie het terrein bij toeval nog uit het vliegtuig, ingekrompen tot een plattegrond van mislukte planning). Daarna heerlijk heuvelen tussen de boomgaarden, over wegen waar vaak testritten van nieuwe automodellen plaatsvinden. Af en toe een olijfdorp in een dal, over meestal uitgestorven hoofdstraten. Een geheimzinnig wandelpad, te herkennen aan verbleekte zebrapaden en borden met twee wandelaars, kruist onze kronkelweg vele malen haaks, telkens als we een rivierdal in en uit rijden. Het lijkt wel langs een liniaal over heuvels en dalen getrokken, ongeacht de hellingshoek. Raadselachtig.

Alhama de Grenada is een goede pleisterplaats, met richting de kerk zo’n oud plein waar je onder een baldakijn met koffie en tostada kunt bijkomen. De koffie is in Spanje trouwens altijd heerlijk, ongeacht de locatie. Klein glaasje heftige koffie met melk en je kunt er weer even tegen. Een lofzang op de horeca van Spanje zou op z’n plaats zijn, met als ingrediënten:

  1. Fatsoenlijke prijzen,
  2. Gulle porties,
  3. Vriendelijk, vrolijk personeel, trots op hun zaak,
  4. Heerlijke koffie,
  5. Een betaalbaar menu van de dag, met drinken zelden duurder dan 10 euro,
  6. Tostada! Geroosterde halve broodjes met onbeperkt tomatenprut, een kan olijfolie, olijven, zout en als je wilt Iberische ham erbij,
  7. De neiging om je te laten proeven van hun lekkernijen,
  8. Fatsoenlijke wijnprijzen, dat wil zeggen, voor 12 tot 15 euro heb je een fles uitstekende wijn
  9. Streng rookbeleid: binnen wordt niet gerookt. Je bent gewoon een onfatsoenlijke hork als je dat wel doet.

Kom daar maar eens om in Holland.

Het laatste hotel van de reis is er op ons verzoek aan toegevoegd. Dat was het enige, snel herstelde mini-planningsfoutje van tante Viv. De afstand Granada-Malaga is te groot als je vliegtuig terugvliegt op een tijdstip dat het halen van de trein naar huis nog mogelijk maakt. Er is dus een dag aan de reis toegevoegd en een hotel dat van uitzonderlijke klasse is. Nadat we de rotspoort bij Venta Zefarrayas zijn gepasseerd en de Middellandse zee zien liggen, willen we daar ook naartoe, maar die gedachte verdwijnt als een ijsklontje in een glas Cola als we eenmaal het vorstelijke Cortijo Bravo zijn binnengetreden. Het stoer-elegante paleis op een hoogte in een dal vol avocadobomen en kassen heeft een zwembad met uitzicht, een koel terras, mooie kamers rond een overdekte patio, en een uitstekend restaurant. Een halve cirkel van bergen, sommige bekleed met witte huizen, andere woest en ledig, en de glinsterende streep van de zee, vormen 360 graden panorama waar je niet op uitgekeken raakt.

Mussen nestelen in de cypressen, en boomvalk komt af en toe langs, de zonsondergang doet haar oude truc met de bergen, net als de zonsopgang na een volmaakt stille nacht.

Transavia rondt de reis planmatig af. Op rolletjes. Vol vliegtuig, maar daardoor toch een grappig gesprek met een enorme man met een huis bij Malaga, die uit Wijk C blijkt te komen en vertelt hoe hij als arbeiderszoon eigenhandig zijn eigen bedrijf heeft opgezet en tot bloei gebracht.

Conclusie: Vivencia Travel heeft een reis uitgezet waar wij alleen maar een 10+ aan kunnen geven. Alles paste, alles klopte, alles verliep vlekkeloos. Zowel de pQliar- als de Rusticae hotels zijn uitzonderlijk prettige hotels. Over alle details is nagedacht, de dienstverlening is hartelijk en zorgvuldig. Zoals ik al schreef in het geval van La Almunia del Valle, het vak van hotelier wordt hier verstaan: je voelt je volkomen thuis terwijl je toch lekker van huis bent. Nu is dat kleine hotel in Monachil wel het allerbeste, hoewel we van de kok van Cortijo Bravo de lekkerste Ceasarsalade kregen opgediend, die we ons kunnen herinneren. Je zou er bijna niet meer heen terug durven, want hoe hou je deze hoge standaard ooit vast?

Met vriendelijke groet,

Chris Coolsma